Promotieonderzoek Becoming Active in Beating osteoarthritis (BABS)
Jeanne Oomen (foto van www.researchgate.net)Praktische handvatten voor effectievere patiënteneducatie en verbeteren van de artrosezorg
Artrose is een veelvoorkomende aandoening die pijn veroorzaakt en beperkingen geeft in het dagelijks leven, maar de zorg sluit niet altijd goed aan op de behoeften van patiënten. Op 9 september 2026 promoveerde Jeanne Oomen aan de Radbouduniversiteit op haar onderzoek Becoming Active in Beating osteoarthritis (BABS). Dit onderzoek liet zien dat veel mensen met knieartrose niet alle aanbevolen informatie, ondersteuning en behandeling ontvangen. Vervolgens is onderzocht hoe patiënteneducatie mensen kan stimuleren om een actieve rol te spelen in het omgaan met hun aandoening. Een experimentele studie toonde aan dat de manier waarop gezondheidsinformatie wordt gepresenteerd invloed kan hebben op de intentie van patiënten om behandeladviezen op te volgen. Op basis van deze bevindingen werd een landelijke informatiecampagne ontwikkeld en geëvalueerd binnen Nederlandse huisartsenpraktijken. Hoewel de campagne niet alle aspecten van de artrosezorg verbeterde, leverde het onderzoek waardevolle inzichten op in wat wel en niet werkt bij het ondersteunen van mensen met artrose en het implementeren van verbeteringen in de dagelijkse praktijk. Deze bevindingen bieden praktische handvatten voor het ontwikkelen van effectievere patiënteneducatie en het verder verbeteren van de artrosezorg in de toekomst.
Hieronder de Nederlandse samenvatting van het onderzoek.
Doel van het onderzoek
Artrose (OA) is een veelvoorkomende en invaliderende aandoening, maar de kwaliteit van zorg en de afstemming van behandelstrategieën op klinische richtlijnen blijven suboptimaal. Deze observatie vormt de basis voor het hoofddoel van dit proefschrift: het onderzoeken van de perspectieven van patiënten en zorgprofessionals (HCP’s) met betrekking tot de zorg voor knie- en heupartrose (KHOA), het verkennen van hoe overtuigende communicatiestrategieën kunnen worden ingezet om behandelopvattingen en -gedrag te verbeteren, en het ontwikkelen en evalueren van een informatiecampagne gericht op het optimaliseren van KHOA-zorg.
Onderzoeksmethoden
Om deze doelen te bereiken, werd een mixed-methods benadering gebruikt. Allereerst onderzocht een observationele studie de kwaliteit van artrosezorg in Nederland en identificeerde afwijkingen van richtlijnaanbevelingen (Hoofdstuk 2). Op basis van deze bevindingen werd in een Delphi-studie verkend hoe zorgprofessionals denken over passende behandeling en welke barrières zij ervaren bij het toepassen van best practices (Hoofdstuk 3). Omdat onhelpende behandelopvattingen mogelijk bijdragen aan suboptimale zorg, werd in een experimentele studie onderzocht hoe de formulering van boodschappen (message framing) de percepties en keuzes van patiënten kan beïnvloeden (Hoofdstuk 4). Tot slot werd in een gerandomiseerde gecontroleerde trial (RCT) een informatiecampagne geëvalueerd die bedoeld was om het zorggebruik beter af te stemmen op de klinische richtlijnen (Hoofdstukken 5 en 6). De bevindingen van dit proefschrift benadrukken de bestaande lacunes in patiënteneducatie en interdisciplinaire samenwerking, de rol van overtuigingstechnieken in het adresseren van onhelpende overtuigingen, en de potentie maar ook de beperkingen van een informatiecampagne om zorggebruik te beïnvloeden. In dit hoofdstuk volgt een algemene samenvatting van de studies die in dit proefschrift zijn gepresenteerd.
Ervaringen van mensen
In hoofdstuk 2 richtten we ons op het in kaart brengen van de ervaringen van mensen met knieartrose in Nederland met de ontvangen zorgkwaliteit en het verkennen van determinanten die samenhangen met lagere kwaliteitsniveaus. Een observationele, cross-sectionele studie werd uitgevoerd onder 434 patiënten met zelfgerapporteerde knieartrose, met behulp van een vragenlijst die kwaliteitsindicatoren (QI’s) en patiëntgerapporteerde ervaringen met zorg beoordeelde. Kwaliteitsindicatoren worden gebruikt om de kwaliteit van zorg en de naleving van artroserichtlijnen te monitoren. Onze studie liet zien dat gemiddeld minder dan de helft van de afzonderlijke QI’s voor artrosezorg werd behaald, en geen enkele QI een score boven 75% haalde, wat wijst op aanzienlijke ruimte voor verbetering. De mate waarin individuele QI’s werden behaald varieerde sterk: verwijzing voor gewichtsreductie werd het minst vaak bereikt, terwijl het ontvangen van advies over omgaan met artrose het vaakst werd gerapporteerd. Daarnaast waren patiënten slechts matig tevreden over de kwaliteit van de zorg. De meerderheid van de deelnemers gaf aan meer informatie, educatie en betere afstemming en personalisering van zorg te wensen. Verder bleek dat de aanwezigheid van artrose in andere gewrichten, comorbiditeiten, een knieprothese en contact met meerdere zorgverleners in het afgelopen jaar samenhingen met een hogere naleving van de richtlijnen. Concluderend toont deze studie aanzienlijke discrepanties tussen de ervaren zorgkwaliteit en internationaal geaccepteerde standaarden voor artrosezorg.
Delhpi-studie
Onderzoek suggereert dat een gebrek aan interdisciplinaire coördinatie een belangrijke barrière vormt voor optimale artrosezorg [1–3].In hoofdstuk 3 presenteerden we een Delphi-studie die aanbevelingen identificeerde en prioriteerde om de interdisciplinaire samenwerking te versterken. De drie hoogst gerangschikte aanbevelingen uit de laatste ronde waren: (1) het verbeteren van communicatie tussen zorgprofessionals door gebruik van digitale hulpmiddelen; (2) het vergroten van kennis van zorgprofessionals over behandelopties binnen andere disciplines; en (3) het vergroten van bewustzijn onder zorgverleners over de criteria voor gewrichtsvervanging. Deze aanbevelingen bieden een handvat om suboptimale zorgpraktijken aan te pakken, evidence-based behandelingen te bevorderen en samenwerking tussen huisartsen, orthopedisch chirurgen en fysiotherapeuten te stimuleren. Door betere samenwerking kan het zorgsysteem de toenemende last van artrose beter beheersen en betere uitkomsten realiseren voor patiënten in Nederland.
Framing
Het is essentieel dat patiënten betrouwbare en passende informatie ontvangen die effectief inspeelt op hun overtuigingen, zodat zij gezond gedrag kunnen volhouden. Daarom onderzochten we in hoofdstuk 4 de effecten van ‘message framing’ en patiëntgetuigenissen, twee veelgebruikte gedragsveranderingstechnieken in de gezondheidszorg, op overtuigingen en intenties van knieartrosepatiënten om fysiek actief te zijn en pijnmedicatie te gebruiken. ‘Positieve framing’ (gain-framed messaging), waarbij bijvoorbeeld de voordelen van fysieke activiteit voor het behoud van gewrichtsfunctie worden benadrukt, wordt vaak gebruikt in patiënteneducatie omdat het aanzet tot beweging [4–8]. Daarnaast kan het presenteren van informatie in de vorm van een persoonlijk verhaal (patiëntgetuigenis) de aandacht vergroten en attitudes en gedrag positief beïnvloeden. In een posttest-experimentele studie werden 154 deelnemers met knieartrose willekeurig blootgesteld aan educatieve boodschappen die varieerden in framing (positief versus negatief) en de aanwezigheid van een patiëntgetuigenis, om hun invloed op overtuigingen en intenties met betrekking tot richtlijngebaseerd artrosemanagement te onderzoeken. Onze studie vond geen significant effect van framing op overtuigingen over fysieke activiteit, mogelijk vanwege een plafond-effect bij reeds gemotiveerde deelnemers. Daarentegen versterkten negatief geformuleerde boodschappen (loss-framed), waarin de nadelen van inactiviteit werden benadrukt, en patiëntgetuigenissen de intentie om pijnmedicatie te gebruiken ter ondersteuning van fysieke activiteit. Onze resultaten suggereren dat het benadrukken van de nadelen van niet-naleving in communicatie met patiënten de intentie om medicatie-instructies te volgen kan vergroten. De studie onderstreept dat zorgverleners en campagnemakers zich bewust moeten zijn van de mogelijke effecten van het benadrukken van winst of verlies in communicatie richting artrosepatiënten.
Informatiecampagne
Om overtuigingen effectief te beïnvloeden, werd in hoofdstuk 5 een informatiecampagne ontwikkeld, gebaseerd op het theoretisch raamwerk van de Behaviour Change Wheel (BCW). Na een literatuurinventarisatie werden factoren geselecteerd die het zorggebruik beïnvloeden. De campagne had als doel om (1) het bewustzijn en de kennis van patiënten en zorgprofessionals over artrose en behandelopties te vergroten, en (2) de communicatie en interdisciplinaire samenwerking te verbeteren. De campagne bestond uit schriftelijke materialen en een educatief programma. Overtuigende communicatietechnieken (zoals message framing en narratieven) werden geïntegreerd om overtuigingen over conservatieve behandelingen positief te beïnvloeden. Dit hoofdstuk beschreef ook het gedetailleerde studieprotocol van de cluster-gerandomiseerde gecontroleerde trial (RCT) waarin de effectiviteit van de campagne werd geëvalueerd.
Effecten van de campagne
Hoofdstuk 6 beschreef de cluster-RCT naar de effectiviteit van de informatiecampagne, gericht op zowel KHOA-patiënten als zorgprofessionals, met als doel om overtuigingen over niet-chirurgische behandelingen te verbeteren en uiteindelijk het gebruik van conservatieve behandelopties in de eerstelijnszorg te optimaliseren. Veertien huisartsenpraktijken, 34 zorgverleners en 235 patiënten namen deel. De zorgverleners (huisarts, praktijkondersteuner of praktijkverpleegkundige) werden uitgenodigd om deel te nemen aan het onderzoek en patiënten te werven. Onze hypothese dat educatie van patiënten en zorgverleners via een informatiecampagne zou leiden tot minder verwijzingen naar de tweede lijn, kon niet worden bevestigd. Hoewel iets meer patiënten in de interventiegroep uitsluitend in de eerste lijn werden behandeld, was dit verschil niet statistisch significant. Wel leidde de campagne tot een significante afname van negatieve overtuigingen over fysieke activiteit bij de behandeling van artrose, en er werden trends waargenomen voor afnemende negatieve overtuigingen over medicatie en fysiotherapie bij patiënten. Bij huisartsen nam het vertrouwen in medicatie toe, en er was een trend richting minder negatieve overtuigingen over fysieke activiteit. We concludeerden dat educatie van patiënten en zorgverleners met behulp van gedragsveranderingstechnieken het zorggebruik niet beïnvloedt, maar wel overtuigingen over behandeling van knie- en heupartrose positief kan veranderen.
Conclusie
Dit proefschrift benadrukt zowel de uitdagingen als de kansen voor verbetering van de zorg bij knie- en heupartrose. Patiënten hebben behoefte aan gepersonaliseerde informatie en begeleiding, terwijl verschillen tussen zorgverleners in informatievoorziening gecoördineerde zorg kunnen belemmeren. Theoretisch onderbouwde educatieve interventies, waaronder negatief geformuleerde boodschappen en patiëntgetuigenissen, kunnen behandelopvattingen beïnvloeden en zelfmanagement ondersteunen, zelfs als directe effecten op zorggebruik beperkt zijn. Belangrijke lessen zijn onder meer het belang van vroege patiënteneducatie, het combineren van informatie met praktische ondersteuning zoals begeleide oefentherapie, het waarborgen van consistente zorg tussen professionals en het versterken van interdisciplinaire samenwerking. Toekomstig onderzoek zou zich moeten richten op langetermijneffecten, directe gedragsmaten en verbeterde instrumenten voor het meten van fysieke activiteit. Voor de praktijk betekent dit dat zorgverleners helder moeten communiceren, patiënten actief moeten betrekken en versterken, en multidisciplinair moeten samenwerken, ondersteund door structurele coördinatie en stimuleringsmaatregelen. Kleine maar gerichte veranderingen in overtuigingen en gedrag kunnen de basis leggen voor duurzame verbeteringen in zelfmanagement en algehele zorgkwaliteit, en bieden betaalbare en schaalbare strategieën om artrosezorg te versterken.
Foto van www.researchgate.nethttps://www.researchgate.net/profile/Jeanne-Oomen


