Niertransplantatie

Wat is een niertransplantatie?

Bij een niertransplantatie krijgt u een donornier in uw lichaam. Dat is een nier van iemand anders. De donornier kan komen van een levende donor (bijvoorbeeld een familielid) of van iemand die overleden is. Een niertransplantatie is nodig als uw nieren niet meer werken. Helaas is er een het tekort aan nieren van overleden donoren. Gemiddeld is de wachttijd ongeveer vijf jaar voor een nier van een overleden donor. Bij een donatie door een levende donor is er geen wachttijd.

Medicijnen na niertransplantatie

U kunt nog jaren na de transplantatie een afstotingsreactie krijgen. Daarom moet u vanaf het moment van de transplantatie dagelijks medicijnen slikken. De medicijnen kunnen vervelende bijwerkingen hebben. U hebt bijvoorbeeld minder weerstand tegen infecties. Als het goed gaat met de nieuwe nier, hoeft u steeds minder van de medicijnen te slikken. Maar u mag er nooit meer helemaal mee stoppen.

Waar gebeurt een niertransplantatie?

De niertransplantatie gebeurd in het Radboudumc. De voorbereidende onderzoeken zijn voor het grootste deel in CWZ. Als er 1 jaar na de niertransplantatie een stabiele situatie is, zal uw nefroloog in het CWZ de controles weer overnemen.

Hoe gaat een niertransplantatie?

Een donornier komt meestal onverwacht beschikbaar en is maar kort te bewaren. De transplantatie moet daarom zo snel mogelijk gebeuren. U moet dus altijd bereikbaar zijn.

Als er een geschikte donornier voor u is, moet u meteen naar het ziekenhuis komen. Daar bereidt uw arts u voor op de operatie. U krijgt enkele onderzoeken om te controleren of de transplantatie door kan gaan. U mag bijvoorbeeld geen infecties hebben. Het belangrijkste onderzoek is de kruisproef. Daarbij wordt een beetje van uw bloed vermengd met het bloed van de donor. Bij een slecht resultaat van de kruisproef kan de operatie niet doorgaan.

Zelfs als u lichamelijk goed fit bent en de kruisproef een goede uitslag heeft, kan het nog zijn dat de operatie niet door kan gaan. Soms blijkt bijvoorbeeld op het laatste moment dat de donornier niet geschikt is voor transplantatie. Een oproep betekent dus niet altijd een nieuwe nier! Het is goed om hierop voorbereid te zijn. Als alle omstandigheden goed zijn, opereert de chirurg u. Meestal kunnen uw eigen nieren blijven zitten. De chirurg plaatst de nieuwe nier onder in uw buik. Deze maakt ook een verbinding tussen de nieuwe nier en de blaas.

Als alles goed is, begint de nieuwe nier na twee tot drie dagen te werken. De meeste mensen blijven na een niertransplantatie een tot twee weken in het ziekenhuis.

Na uw ontslag uit het ziekenhuis moet u regelmatig terugkomen. De arts controleert dan of de nieuwe nier goed werkt. Soms gaat de nieuwe nier pas na enkele weken goed werken. Dan is tijdelijk dialyse nodig.

U verlaat hiermee de informatiepagina's over specialisme interne geneeskunde.

U kunt bij deze behandeling te maken krijgen met deze specialismen. Dit hangt af van uw situatie.