Navigatie:

U bent hier:



Beademen en ontwennen van beademing

Een patiënt wordt beademd met een beademingsapparaat. Dit apparaat ondersteunt de natuurlijke ademhaling. Tijdens het bezoek aan de patiënt is het belangrijk dat u over een aantal zaken geïnformeerd bent. Op deze pagina kunt u deze informatie lezen.

Beademing

voorbeeld beademing

Een beademingsapparaat kan de ademhaling ondersteunen of zelfs helemaal overnemen. De patiënt is via slangen verbonden met het apparaat. De slangen zijn verbonden aan een dun buisje, dat via de mond in de luchtpijp (C) geschoven is.Dit heet in medische termen de tube (A). Elke in- en uitademing van de patiënt verloopt via deze tube, die het apparaat min of meer regelt. Na de beademingsperiode kan de patiënt de eerste weken nog wat hees zijn door irritatie van de stembanden. Dit gaat vanzelf over. De beademingsmachine en ook andere apparaten kunnen signalen geven in de vorm van geluid of een pieptoon. U hoeft niet gealarmeerd te raken als een apparaat - waar de patiënt aan ligt - een signaal geeft. De verpleegkundige die zorgt voor de patiënt- weet wat de signalen betekenen en zal als dat nodig is gericht actie ondernemen.

Naar boven

Geneesmiddelen

Het overnemen van de ademhaling door de beademingsmachine kan voor de patiënt een vervelende ervaring zijn. Daarom krijgt de patiënt vaak enige tijd slaapmiddelen waardoor hij niet alles bewust hoeft mee te maken. Een nadeel hiervan is dat persoonlijk contact moeilijk of zelfs onmogelijk is. Soms krijgt de patiënt spierverslappende geneesmiddelen om te voorkomen dat hij ‘de machine tegenwerkt’.

Naar boven

Praten tijdens beademing

Doordat de tube tussen de stembanden doorloopt, kan de patiënt niet praten. De volgende tips maken contact vaak toch mogelijk:

  • Stel gerichte vragen waarop de patiënt ja  kan knikken of nee kan schudden.
  • Stimuleer de patiënt te schrijven. Schrijven in trefwoorden is minder vermoeiend.
  • Laat de patiënt letters aanwijzen op een letterkaart of -bord. Deze hulpmiddelen zijn te krijgen bij de verpleegkundige die de patiënt verzorgt.

Patiënten die in slaap worden gehouden, kunnen horen en voelen. U hoort de verpleegkundige dan ook vaak tegen een slapende patiënt praten. En al is het in het begin misschien een beetje onwennig, ook u kunt de patiënt dingen vertellen, een kus geven of aanraken. Niemand van de artsen of verpleging zal dit vreemd vinden.

Naar boven

Verzorging

Patiënten kunnen slijm in de luchtweg vaak niet goed ophoesten. Het is noodzakelijk dit slijm uit de luchtwegen te verwijderen. De verpleegkundige kan met een slangetje via de tube de luchtwegen van slijm ontdoen. Het wegzuigen van het slijm uit de luchtwegen is een vervelend gezicht. Daarom wordt u tijdens deze behandeling verzocht even elders te wachten.

Naar boven

Eten en drinken

Wanneer een patiënt een tube heeft, is normaal eten en drinken niet mogelijk. De patiënt krijgt alle benodigde voedingsstoffen via een maagsonde. Een maagsonde is een dunne slang die via de neus naar de maag loopt. De vloeibare voeding, sondevoeding genaamd, komt direct in de maag. En wordt daar op de normale wijze door het lichaam verwerkt.

Naar boven

Ontwennen van de beademing

Een patiënt die na een operatie nog enkele uren aan de beademingsapparatuur ligt, zal in het algemeen vlot (in minuten of uren) van de beademingsmachine worden gehaald. Daarna zal de patiënt met gemak zelf ademhalen, zoals voor de operatie.

Heel anders wordt het als een patiënt dagen of weken aan de beademing heeft gelegen. Of als hij voor de opname al een ernstige long-, spier- of zenuwziekte had. Dan is bijna altijd een periode van dagen tot weken nodig om de patiënt te ontwennen van de beademing.

Tijdens het ontwennen van de beademing - ook wel 'weaning'  genoemd - moet de patiënt zijn spieren trainen. In deze fase krijgt de patiënt meer beweging, veel fysiotherapie en bouwen we  beademing af. Het weanen kan moeilijk zal als patiënten onrustig, angstig of in de war  zijn. Deze angst en onrust bestrijden we op allerlei manieren (zie voor meer informatie edatie, delier en fixatie). Soms is een tracheostoma nodig om de overgang naar zelfstandig ademhalen mogelijk te maken.

Naar boven

Tracheostoma

Tracheostoma

Wat is een tracheostoma?

Een geïntubeerde patiënt aan de beademing heeft een buisje via zijn mond door zijn keel, tussen de stembanden door naar de luchtpijp lopen. Een tracheostoma is een opening, via een snee in de hals net boven het borstbeen naar de luchtpijp. Hierin wordt een buisje - ook wel canule genoemd - geplaatst. Zo wordt de weg die de lucht moet afleggen naar de longen korter. De mond en keel zijn nu vrij, waardoor het voor de patiënt prettiger aanvoelt. Het buisje zit onder de stembanden. Daardoor worden de stembanden niet geplaagd en wordt spreken mogelijk. Bovendien kunnen wij het tracheostoma - ook als de patiënt al lang niet meer aan de beademing ligt  - gebruiken om slijm uit de luchtwegen te zuigen als de patiënt zelf (nog) niet zo goed kan hoesten.

Wie krijgt een tracheostoma?

Een patiënt krijgt een tracheostoma wanneer we denken dat deze langdurig beademing nodig zal hebben. Bovendien is een tracheostoma goed voor patiënten die moeizaam ontwennen aan de beademing. En voor patiënten die niet goed kunnen hoesten en slikken.

Hoe wordt een tracheostoma aangebracht?

Bij de meeste mensen kan het tracheostoma met een geringe ingreep op de IC worden aangebracht. Tijdens de ingreep is de patiënt diep in slaap. Een klein deel van de mensen moet voor deze ingreep naar de operatiekamer. Tijdens het verblijf op de IC verwisselen wij af en toe de canule. Bijvoorbeeld om spreken mogelijk te maken. Maar ook omdat de patiënt met steeds kleinere canules toe kan.

Hoe lang blijft een tracheostoma zitten?

Het tracheostoma wordt verwijderd als de patiënt echt begint aan te sterken en goed kan hoesten. Ook moeten de artsen het vertrouwen hebben dat de patiënt het tracheostoma niet meer opnieuw nodig zal hebben. Na verwijderen van het tracheostoma groeit de snee in de hals dicht tot een klein streepvormig litteken.

Risico's van tracheostoma

Het risico op complicaties bij deze ingreep is laag. Bij een deel van de patiënten kan er na weken of maanden een vernauwing van de luchtweg ontstaan. Bij een heel klein deel van de patiënten geeft dit klachten.

Naar boven

Folders