Ziekenhuis in oorlogstijd
Al in 1939 bereidt het Canisiusziekenhuis aan de Sint-Annastraat zich voor op een mogelijke tweede wereldoorlog.
Zo wordt op het dak een rood kruis geverfd, zodat het gebouw vanuit de lucht herkenbaar is als ziekenhuis en worden de kelders ingericht als schuilplaatsen voor patiënten. Tot aan het bombardement op Nijmegen verlopen de oorlogsjaren echter betrekkelijk rustig voor het ziekenhuis.
Niettemin: kopzorgen volop. Er zijn meer patiënten dan gewoonlijk, onder meer vanwege epidemieën, maar ook omdat het CZ patiënten van het Wilhelminaziekenhuis moet overnemen dat militair hospitaal is geworden. Daar komt bij dat er te weinig personeel is.Uit pure nood worden medewerkers van de huishoudelijke dienst en vrijwilligers ingezet als verpleegkundigen en operatie-assistenten.
Op 22 februari 1944 verandert de Nijmeegse binnenstad in een slagveld: zestien Amerikaanse bommenwerpers hebben hun dodelijke lading over Nijmegen uitgestort, in de veronderstelling dat ze met een Duitse stad van doen hebben. Het Canisiusziekenhuis wordt overstroomd met doden en gewonden.
Hoewel er maar plaats is voor 600 zieken, herbergt het ziekenhuis die dag 789 patiënten. Ook zwerven allerlei mensen door de gangen en zalen, in de hoop hun vermiste dierbaren te vinden. Op 17 september verandert de stad opnieuw in een slagveld. De ‘bevrijders’ stuiten bij Nijmegen onverwacht op ernstige weerstand van de Duitsers. Weer vallen bommen.
Weer wordt het ziekenhuis overstroomd met gewonden. Vanaf dat moment, tot april 1945, functioneert het ziekenhuis voornamelijk ondergronds. Patiënten liggen niet alleen in de eigen kelders, maar ook in de bunker bij het Oud Burgeren Gasthuis dat als noodziekenhuis is ingericht.
Het ziekenhuis verliest door de oorlog twee ‘eigen’ mensen: de kinderarts F. Peljak overlijdt bij het Nijmeegs bombardement en de gynaecoloog dr. D. van Vught sterft op 2 mei 1945 in concentratiekamp Sanbossel.







